HOME

Duin- en andere zandminnende franjehoedjes

Duinfranjehoed

Duinfranjehoed

Een van de meest kenmerkende paddestoelen van de zeereep is de Duinfranjehoed (P. ammophylla). Er zijn er echter wel meer te vinden. Enkele kandidaten staan hieronder beschreven, al is de Blozende franjehoed (P. dunensis) een zeldzaamheid. De keuze is gebaseerd op de karteringsrapportage Kennemerstrand - La Marande van Martijn Oud. De microscooptekeningen zijn gekopieerd van http://www.vielepilze.de/selten/psat/psat.html. Nu nog de betreffende paddestoelen zien te vinden.

Psathyrella ammophila (Duinfranjehoed)

  • Hoed 10-50 mm, bruin tot roodbruin, verblekend naar geelbruin, niet gestreept, met velumresten
  • Lamellen niet erg dicht opeen, bruin, rand wit
  • Sporee zwart met rode zweem
  • Steel lichtbruin, diep wortelend, tussen wortels van planten
  • Sporen 9-15 x 5,5-8,5 micron, av. 10,8-13,5 x 6,6-7,4 micron, eivormig, kiempore zichtbaar, in water en ammonia donkerroodbruin, in KOH zwartbruin, (half)doorschijnend
  • Basidia 22-38 x 10-13,5 micron, meestal 4-sporig
  • Cheilocystiden 25-55(-70) x 10-20 micron, verspreid, wel redelijk talrijk. Gemengd met talrijke bol-op-steeljevormige en knotsvormige randcellen, 20-43,5x8-30 micron.
  • Pleurocystiden 30-75 x 10-27,5 micron, zeldzaam
  • Gespen aanwezig
duinfranjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden


Psathyrella spadiceogrisea (Vroege franjehoed)

  • Hoed 15-60 (-75) mm breed, jong halfbolvormig, later spreidend, meestal met kleine umbo, met meerdere tinten bruin, snel verblekend naar geelachtig of grijsbruin, vochtig ver doorschijnend gestreeptd. Velum alleen te onderscheiden bij jonge exemplaren, bij het ouder worden restanten op de hoedrand.
  • Lamellen dicht opeen tot vrij ver uit elkaar, breed aangehecht, aanvankelijk wit, later donkerbruin met rode zweem, rand wit en gewimperd.
  • Sporee donkerbruin
  • Steel 30-90 (-120) x 1,5-10 mm, iets taps toelopend, wit tot crème, iets viltig, meestal glad, top iets bepoederd, voet wollig.
  • Sporen 6-10 x 3-5.5 micron, donkerbruin in KOH
  • Cheilocystiden verspreid staand. Rand overwegend met bol-op-steeljevormige en knotsvormige randcellen 8-45 x 5,5-16,5 (-22,5) µm, talrijk, deels in meerdere rijen. Rand zonder pigment.
  • Pileipellis hymeniform/cellular
vroege franjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden


Psathyrella candolleana (Bleke franjehoed)

  • Hoed honinggeel, verkleurt naar bleekbruin of bijna wit, 3-11 cm, jong met velumresten langs de rand
  • Sporee roodbruin
  • Lamellen dicht opeen, aangehecht, smal, bruinig met paarse weerschijn, ouder vuil bruin, rand wit gewimperd.
  • Steel 30-100 x 2-10 mm, wit, glanzend, gegroefd in het bovenste derde deel, verder zwak vezelig, top wit bepoederd, soms met ring.
  • Sporen 6.5-9.5x4-5 micron, ellipsoide met afgestompt uiteinde, in water en ammonia bleek bruin, vuil grijsbruin in KOH, niet (half)doorschijnend
  • Basidia 13,5-27 x (5,5-) 7-11 µm, 4-sporig.
  • Cheilocystidia 20-70 (-140) x 8-22 µm, meestal onder de top samengetrokken, meestal talrijk en dicht opeen, sommige ook in groepjes met smalle tussenopeningen. Honkbalknuppel- en half-opgeblazen-ballonnetjesvormige randcellen zeldzaam tot vrij talrijk, tot 30 x 20 µm.
  • Pleurocystidia afwezig.
  • Caulocystidia (16,5-) 27-60 (-75) x 8-20 µm, talrijk, meestal in groepjes, gelijk aan cheilocystidia.
  • Velum cellen 15-120 x 2-27 µm, cylindrisch of iets bolvormig, deels gevorkt, kleurloos; eindcellen tot 35,5 µm breed.
  • Gespen aanwezig.
bleke franjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden


Psathyrella tephrophylla (Conische franjehoed)

  • Hoed 1,5-7,5 x 1-1,2 cm, gewelfd, later conisch uitspreidend en tenslotte vlak gespreid met umbo. Vochtig rood tot middelbruin, 2/3 doorzichtig gestreept, verblekend naar oker vanuit het center (umbo bruiner), droog cremekleurig, jong met velumresten
  • Lamellen vrij dicht op elkaar, breed aangehecht, aanvankelijk wit, later grijs, oud zwartig, met witte rand.
  • Sporee zwart met rode zweem
  • Steel 30-110 x 2-10 mm, tapstoelopend, wit, glimmend, met vezelige schubjes, vooral aan de voet (volva-achtig gebied), top sterk bepoederd.
  • Sporen (7-)9 - 13,5 x (4,5-)5 -7,5 micron, av. 9,4-10,9 x 5,3-6,8 micron, ellipsoide, eivormig, aan de basis vaak stomp, met overwegend centrale kiempore, Roodbruin in water en ammonia, vuil donkerbruin in KOH
  • Basidia 9,5-30 x 8-11 micron, 4-sporig, soms 2- of 1-sporig
  • Cheilocystiden 24,5-70 x 7x19 micron, bij verse paddestoelen met goudgele afzettingen. Meestal dicht opeen, afgewisseld met nauwelijks zichtbare knotsvormige en bol-op-steeltjesvormige (clavate en sphaeropedunculate) randcellen 24,6 x 13,6 micron
  • Pleurocystiden 33-80 x 8,2-22 micron, bij verse paddestoelen met goudgele afzettingen
  • Gespen aanwezig
conische_franjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden

conische_franjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden

conische_franjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden


Psathyrella dunensis (Blozende zandfranjehoed)

  • Hoed (5-) 15-20 (-30) mm breed, soms met umbo, donker grijsbruin, gestreept, verblekend naar vaal grijsbruin, gerimpeld en met een duidelijk zweempje paars. Velum vergankelijk.
  • Lamellen wijd uiteen, breed aangehecht, grijsbruin met rode zweem, rand wit, met rode streep.
  • Steel 11-65 x 1-2 mm wit tot bruin
  • Sporee zwart met rode zweem
  • Sporen 7-9,5 x (4-) 4,5-5,5 micron av. 7,7-8,1 kx 4,5-5 micron, ellipsoide, eivormig, kiempore klein maar duidelijk zichtbaar. In water donker roodbruin, in ammonia donkerbruin, in KOH vuil donkerbruin, halfdoorschijnend.
  • Basidia 19-24 x 8-10 micron, 4-sporig.
  • Cheilocystidia 25-55 x 8-13 micron, zeldzaam tot redelijk talrijk. Rand overvleugeld door bol-op-steeljevormige en knotsvormige randcellen, 18-35x7-15 micron, vaak bruin met dikke randen.
  • Pleurocystida 35-65 x 8-14 micron, top vaak met afzettingen, verspreid.
  • Gespen aanwezig.
blozende_zandfranjehoed sporen, cheilo- en pleurocystiden