Wit bosvogeltje

Wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia)

Het Witte bosvogeltje is een slanke, sierlijke orchidee met witte bloemen. De lip van de bloem heeft een dooiergele vlek en diverse lijsten. Er is geen spoor.
Het blad is lang en smal en in 2 rijen afstaand of iets overhangend aan de stengel geplaatst.
De bloeiwijze is een rechtopstaande, losbloemige aar. De onderste schutlbaden van de bloeiwijze kort.
Het Witte bosvogeltje is een zeldzame orchidee, die in Nederland slechts op enkele plaatsen voorkomt. Ze groeit in kalkrijke loof- en naaldbossen, helling- en bronbossen, in bosranden en struwelen, op kalkgraslanden en in kruipwilgvegetatie in droge duinvalleienk.

Er is ook een, eveneens zeldzaam, Rood bosvogeltje. Te herkennen aan het smalle, duidelijk generfde, vaak paars aangelopen blad en aan de roodpaarse bloemen. Niet-bloeiend herkent men het Rode bosvogeltje aan de klierachtig behaarde, paars aangelopen stengels.

Het Bleke bosvogeltje heeft eironde tot lancetvormige bladeren. De bloeiwiijze arm en zeer losbloemig, de onderste schutbladen groot, naar boven toe steed kleiner wordend. De bloemen zijn relatief groot en bleekgeel ot roomwit. Ze staan schuin omhoog.
Kenmerken van het geslacht Bosvogeltje  (Cephalanthera) waartoe Wit bosvogeltje behoort.

Een allerliefste naam voor dit geslacht uit de Orchideeënfamilie. De plant heeft kruipende, korte en vertakte wortelstokken.m De bloemen zijn wit tot bijna violet. Er zijn in totaal 14 soorten bosvogeltjes.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - wit_bosvogeltje
familieOrchideeënfamilie (Orchidaceae)
info familieLeden van deze familie hebben bladen met een gave rand, ze zijn meestal lancetvormig, aan de voet vaak stengelomvattend.
De bloemen staan in aren, trossen of pluimen.
De bloemen zijn symmetrisch, ze hebben 6 kroonblaadjes en zijn vaak opvallend gekleurd.
Vijf van de zes kroonblaadjes zijn vaak naar elkaar toegebogen en vormen zo een soort helm, het zesde blaadje staat apart, is groter dan de overige blaadjes en wordt lip genoemd. Deze lip loopt vaak uit in een spoor.



Bij de inlandse orchideeën zijn de stijl, de stempel en 1 meeldraad zonder helmdraad, dus alleen een helmknopje, vergroeid tot een zuiltje. Het helmknopje bestaat uit twee hokjes en zit meestal voor de stempel.
In de hokjes zit het stuifmeel in de vorm van een klompje. Deze stuifmeelklompjes hebben een steeltje. Het einde van dit steeltje is weer vergroeid met een snaveltje (rostellum). Een deel van dit snaveltje is veranderd in gom of in een paar kleefschijfjes. De stuifmeelklompjes groeien hieraan vast. Soms liggen de schijfje bloot, bv. bij de Muggenorchis. Bij andere geslachten ligt ieder schijfje weer in een napje. Ook kunnen beide schijfjes in 1 napje liggen.

Onder de stempelplek ligt bij vele soorten de ingang tot de spoor waar de honing bewaard wordt. Bij sporenloze orchideeën ligt de honing op de onderlip.

Als nu een insect, op zoek naar de honing, tegen de kleefschijfjes aankomt, dan plakken deze inclusief de stuifmeelklompjes vast op de kop van het insect. Is er een beursje, dan klapt dit bij aanraking terug en komen de kleefschijfjes bloot te liggen en kunnen ze vastplakken op de kop van het insect. De steeltjes van de klompjes staan dan rechtovereind op de kop van het insect. Na een paar seconden, net genoeg voor het insect om een volgende bloem te vinden, buigen de steeltjes door en kunnen het stuifmeel overbrengen op de bloem waar het insect zich inmiddels bevindt.

Oorspronkelijk bloeiden orchideeën met de lip naar boven gericht. Dit bleek onhandig voor de insecten die op hun kop op de lip moesten landen om bij de honing te kunnen. De evolutie heeft dit gecorrigeerd door het onderstandige vruchtbeginsel een halve slag te draaien - de bloem, die in de knop nog naar boven is gericht - wordt nu bij het openen gedraaid.



De andere twee binnenste bloemdekblaadjes zijn meestal ongeveer gelijk van vorm met de drie van de buitenste krans. Soms vormen ze samen met de bovenste van de buitenkrans een soort helm boven de stempelzuil.
Orchideeën leven in symbiose met bodemschimmels die de wortels binnendringen. Het heeft dan ook geen zin om orchideeën uit te graven voor in de tuin: ze zullen het niet overleven.
naam wit_bosvogeltje (Cephalanthera longifolia)
waar kalkrijke loof- en naaldbossen, helling- en bronbossen, kalkgrasland. kruipwilgvegetaties in duinvalleien
bloei vanaf medio mei, noorderlijker vanaf derde week mei tot begin juni
kleur wit
blad lichtgroen, in 2 rijen geplaatst, afstaand, soms overhangend, v rij lang en lijnvormig, generfd,
vrucht doosvrucht