Witte ridderzwam

Witte ridderzwam (Tricholoma album)

De Witte ridderzwam onderscheidt zich van de overige witte ridders (Vuilwitte, Okerwitte) door de wijd uiteenstaande lamellen, de gladde hoedrand en de kleinere sporen.
De Witte ridderzwam groeit meestal in gezelschap van de eik. De hoed is regelmatiger van vorm dan die van de Vuilwitte. De geur is sterk en onaangenaam, evenals de smaak.
Sporenmaten: (5.0)5.5-6.5(7.0)x3.5-4.5 (5.0) mu. Breed ellipsoide met duidelijk aanhangsel. Basidia 4-sporig, met gespen. Lamelsnede niet steriel. Cystidia afwezig.
In de hoedhuid komen weinig gespen voor. Dit in tegenstelling tot de hoedhuid van de Vuilwitte.
Kenmerken van het geslacht Ridderzwam  (Tricholoma) waartoe Witte ridderzwam behoort.

Hoed droog of kleverig, kaal of geschubd.
Lamellen bochtig aangehecht, het voor ridderzwammen zo kenmerkende ′gootje′
Steel zonder ring, zelden met.
Sporee wit.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - witte_ridderzwam
familieTricholomataceae (Tricholomataceae)
info familieDeze familie kent 127 geslachten
naam witte_ridderzwam (Tricholoma album)
waar ectomycorrhizal vormend met hfdz. eik op zandige en lemige bodem
sporeekleur wit
hoed 30-60(-70) mm, gewelfd klokvormig met iets ingekrulde rand, later uitgespreid met rechte rand, wit tot bleek geel, oudere exemplaren met okergeel centrum, glad, kaal, droog en mat, zonder geribde rand
steel 3-60(-85), cilindrisch, iets verbreed naar de voet toe, wit tot bleek bruinachtig geel, later met gele vlekken, bruin wordend bij aanraking, top glad tot fijnvlokkig, lager vezelig, soms met wit mycelium
plaatjes vrij ver uiteen, dik, hele en korte lamellen niet even breed, wit tot bleek geel