Wilgenvaalhoed

Wilgenvaalhoed (Hebeloma pusillum)

De Wilgenvaalhoed (H. pusillum) behoort tot de sectie Denudata. Kenmerkend voor paddestoelen uit deze sectie zijn de afwezigheid van een cortina (gordijn) en een radijsachtige geur. De cystidia zijn knotsvormig tot gekopt en hebben daarbij vaak een verbrede basis. De sporenmassa is umber tot sepia van kleur.

De groep is vrij uitgebreid. Een aantal van deze vaalhoeden komen uitsluitend voor in alpiene zones (H. alpinum, H. subconcolor en H. minus. H. crustuliniforme komt ook in andere habitats voor.)
De in andere habitats voorkomende vaalhoedjes uit deze groep worden in eerste instantie onderscheiden door de kleur van de hoed.
Met een hoofdzakelijk witte hoed - centrum vaak geel of bruingelig en bleekgele sporen onder de microscoop
  • H. fragilipes - Witte vaalhoed
  • H. helodes - Moerasvaalhoed
  • H. lutense - Valse radijsvaalhoed
  • H. crustuliniforme - Radijsvaalhoed
De Witte vaalhoed en de Valse radijsvaalhoed zijn vrij zeldzaam.
De Moerasvaalhoed is vrij algemeen en komt voor in loofbossen op rijk zand.
De Radijsvaalhoed is de meest algemene en komt voor in loofbossen en -struiken.

Met een bruine of grijzige hoed en bruingele sporen onder de microscoop
  • H. pusillum - Wilgenvaalhoed
  • H. hiemale - Kleine vaalhoed
  • H. vaccinum - Ruderale vaalhoed
  • H.populinum - Populierenvaalhoed
  • H. alvarense
  • H. vejlense
  • H. lutense - Valse radijsvaalhoed
Het onderscheid tussen deze soorten zit hoofdzakelijk in microscopische verschillen in sporen en cheilocystiden.
H. pusillum - Wilgenvaalhoed - heeft een 1-3 mm brede steel en groeit bij Salix op vochtige bodem. De overige soorten zijn forser.
De hoed is tweekleurig.
De sporen zijn smal en zwak dextrinoïde.

Microscoop sporen 9,5-14,5 x 5-7 mu, niet tot zwak dexrinoïde. Cheilocystiden knotsvormig tot met kopje, 50-60 mu. Caulocystiden steeltop 30-40 mu.

Bron The Genus Hebeloma by Jan Vesterholt, 2005
Kenmerken van het geslacht Vaalhoed  (Hebeloma) waartoe Wilgenvaalhoed behoort.

Met hun vaal gekleurde hoedjes - witachtig, vaal oranje- of rozeachtig bruin, umber, kaneel, sepia zijn dan de tinten waar je aan moet denken - zijn de Vaalhoeden niet bepaald de meest spectaculaire paddenstoelen. Het hoedoppervlak is hooguit een weinig hygrofaan, glad, kleverig tot droog.
De lamellen zijn met een tandje of gewoon aangehecht, ze hebben aanvankelijk dezelfde tinten als de hoed, bij rijpheid een typerende koffie-verkeerd-kleur. Bij sommige Vaalhoeden scheiden de lamellen druppeltjes uit. Die tranen laten dan bruine vlekken achter op de lamellen.
De steel is vooral aan de top fijn tot grof vlokkig. Vanaf de basis verkleurt de steel vaak naar bruin. Sommige soorten hebben een universeel velum of een ′gordijn′ (partieel velum).
Vaalhoedjes hebben vaak een radijsachtige geur, maar de geur kan ook die van marsepein, cacao, zeep, thee of fruit zijn of gewoon onopvallend.
De sporee is roestkleurig tot leemkleurig.
Vaalhoeden zijn giftig.

Onder de microscoop
De sporen zijn amandelvormig, elliptisch of citroenvormig, glad tot wrattig en versierd met fijne, vertakte ribbels.
Sommige soorten hebben een in meer of mindere mate loslatende perispore (buitenlaagje). De sporen zijn dextrinoïde (kleuren rood) of zonder reactie in Melzer′s.
Er zijn cheilocystiden, zelden pleurocystiden. De hoedhuid is een ixocutis tot een ixotrichoderm. Gespen aanwezig.

Vaalhoedjes groeien op de grond en zijn vaak gebonden aan bepaalde bomen of struiken.

Determineren
  • Velumresten vormen een membraanachtige ring. Steel stevig wortelend. Geur van marsepein => sectie Myxocybe
  • Gordijn spinnenwebachtig aanwezig, maar vergankelijk. Steel aan de top vlokkig. Cheilocystiden cilindrisch, onderste helft verbreed. Perispore laat niet los. =>sectie Hebeloma
  • Geen gordijn - sterke, zoete geur => sectie Sacchariolentia
  • Steel wortelend, geen radijsgeur, lamellen zonder druppels => sectie Myxocybe
  • Steel niet wortelend, geur radijsachtig, cheilocystiden cilindrisch, knotsvormig, met hoofdje of flesvormig - sporen reageren nauwelijks in Melzer′s => sectie Denudata
  • Sporen sterk dextrinoïde en ongeveer 4.4-5.3 mu breed =>Theobromina
  • Sporen breder dan 4.4-5.3 mu - hoofdzakelijk flesvormige cheilocysten met cilindrische hals - steel ruw vlokkig in banden - steel niet verkleurend =>sectie Sinapizantia
    • steel fijn vlokkig, vooral in bovenste deel, verkleurend vanuit de steelbasis, flesvormige en knotsvormige cheilocystiden => sectie Velutipes
  • Cheilocystiden zowel aan de top als aan de basis verbreed => Denudata
  • Cheilocystiden cilindrisch tot min of meer knotsvormig => sectie Velutipes


Bron: Funga Nordica

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - wilgenvaalhoed
familieGordijnzwammen (Cortinariaceae)
info familieTot deze familie behoort een groot aantal geslachten. De naam is ontleend aan het grootste geslacht in de familie, nl. de Cortinaria (gordijnzwammen)
De sporen zijn bruin. De leden van deze familie hebben een 'gordijn', een spinnenwebachtig weefsel tussen de hoedrand en de top van de steel dat de rijpende sporen beschermt. Dit gordijn, officieel het velum partiale genoemd, is niet hetzelfde als het velum universale, het weefsel dat de nog zeer jonge paddenstoelen omhult en bij het groeien van de paddenstoel scheurt en dan vaak als een beurs aan de voet of als vlokjes of schubjes op de hoed achterblijft. Het velum partiale is bij jonge paddestoelen vaak nog mooi te zien. Naarmate de hoed groeit scheurt het gordijn. Er blijven restantjes achter op de steel. Deze kleuren vaak bruin tot oranjebruin door de sporen die er op vallen.
Gordijnzwammen groeien op de grond of parasiteren op wortels. Ze zijn er zowel klein als groot.

Geslachten die tot deze familie behoren
  • Cortinarius - gordijnzwammen
  • Gymnopilus - vlamhoeden
  • Hebeloma - vaalhoeden
  • Inocybe - vezelkoppen
  • Galerina - mosklokjes
  • Alnicola - zompzwammen
  • Tubaria - donsvoetjes
  • Crepidotus - oorzwammetjes
vaalhoed met gordijn
naam wilgenvaalhoed (Hebeloma pusillum)
waar bij wilgensoorten
sporeekleur vaalbruin
hoed 5-23 cm, enigzins vettig, oker tot bruin in het centrum, rand bleekcreme
steel wittig tot bleekbruin, vlokkig aan de top, basis bruin wordend
plaatjes grijsachtig, later oker, lamelsnede identiek gekleurd,