Week oorzwammetje

Week oorzwammetje (Crepidotus mollis)

Het vlees van het Week oorzwammetje heeft een taai, elastisch, transparant laagje, dat je als een soort elastiekje van de hoed kunt trekken. Hierin verschilt dit zwammetje van het Witte oorzwammetje. Let ook op de vaalbruine sporee.
Kenmerken van het geslacht Oorzwammetje  (Crepidotus) waartoe Week oorzwammetje behoort.

Schelp- tot niervormige, ongesteelde, witte of crème-gelige plaatjeszwammen. Er komen in Nederland 11 soorten voor, de sporeekleur verschilt per soort!

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - week_oorzwammetje
familieGordijnzwammen (Cortinariaceae)
info familieTot deze familie behoort een groot aantal geslachten. De naam is ontleend aan het grootste geslacht in de familie, nl. de Cortinaria (gordijnzwammen)
De sporen zijn bruin. De leden van deze familie hebben een 'gordijn', een spinnenwebachtig weefsel tussen de hoedrand en de top van de steel dat de rijpende sporen beschermt. Dit gordijn, officieel het velum partiale genoemd, is niet hetzelfde als het velum universale, het weefsel dat de nog zeer jonge paddenstoelen omhult en bij het groeien van de paddenstoel scheurt en dan vaak als een beurs aan de voet of als vlokjes of schubjes op de hoed achterblijft. Het velum partiale is bij jonge paddestoelen vaak nog mooi te zien. Naarmate de hoed groeit scheurt het gordijn. Er blijven restantjes achter op de steel. Deze kleuren vaak bruin tot oranjebruin door de sporen die er op vallen.
Gordijnzwammen groeien op de grond of parasiteren op wortels. Ze zijn er zowel klein als groot.

Geslachten die tot deze familie behoren
  • Cortinarius - gordijnzwammen
  • Gymnopilus - vlamhoeden
  • Hebeloma - vaalhoeden
  • Inocybe - vezelkoppen
  • Galerina - mosklokjes
  • Alnicola - zompzwammen
  • Tubaria - donsvoetjes
  • Crepidotus - oorzwammetjes
vaalhoed met gordijn
naam week_oorzwammetje (Crepidotus mollis)
waar op loofhout, meestal dikkere stammen of takken, algemeen, zomer tot late herfst
sporeekleur vaal bruin
hoed oorvormig, in bovenaanzicht vrijwel rond, regelmatig, van opzij gezien gewelfd, met naar binnen gekrulde rand, oppervlak droog tot plakkerig, jong viltig, later glad, gelig tot waterig grijzig waskleurig
steel afwezig, hoed zijdelings of centraal aangehecht
plaatjes dicht opeen, jong heel bleek bruinig, later grauwbruin