Voorjaarspronkridder

Voorjaarspronkridder (Calocybe gambosa)

De Voorjaarspronkridder verschijnt vanaf ongeveer 23 april (naamdag van Sint Joris, bekend van het doden van de draak) tot ongeveer 24 juni (naamdag van Sint Jan). Echt lekker schijnt de paddestoel niet te zijn en ze heeft giftige dubbelgangers, maar paddestoelen moet je in dit dichtbevolkte landje, waar wilde natuur al lang niet meer bestaat, sowieso met rust laten, zodat elke passerende wandelaar kan genieten van de aanblik en elke passerende fotograaf zijn fotomomentje kan hebben. Paddestoelen zat in de supermarkt!
De Voorjaarspronkridder heeft het robuuste uiterlijk van alle ridders. De lamellen zijn uitgebocht aangehecht en staan dicht opeen en zijn relatief smal. De kleur is bleek créme.
De hoed is 3 tot 10 cm groot, jong halfbolvormig, later gewelfd. De vorm is wat onregelmatig en de rand is ingerold. Het oppervlak is droog, glad en heeft geen radiaire structuur. De kleur is créme wit of vuilwit, vaak wat vlekkerig.
De steel is 30 cm dik, en meestal even lang als de hoeddiameter. Er is geen velum en het oppervlak is droog en vezelig
Het vlees is dik, maar bros, wit.
De Voorjaarspronkridder ruikt sterk melig of naar komkommer. De sporee is wit.

De sporen zijn elliptisch, glad en 5-6x3-4 mu groot.

Te verwarren met de Giftige vezelkop (Inocybe erubescens) die echter meestal geen witte hoed heeft en die hoed is dan ook nog eens radiair vezelig
of met de Weidechampignon. Deze heeft echter een ring en een fijnschubbige hoed.
De Giftige satijnzwam heeft uiteraard roze sporen.
Kenmerken van het geslacht Pronkridders  (Calocybe) waartoe Voorjaarspronkridder behoort.

Lamellen bochtig aangehecht of met een tandje op de steel aflopend. Sporee wit tot créme.
In Nederland komen 8 soorten pronkridders voor.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - voorjaarspronkridder
familieTricholomataceae (Tricholomataceae)
info familieDeze familie kent 127 geslachten
naam voorjaarspronkridder (Calocybe gambosa)
waar op de grond langs bosranden en in struwelen op kalkhoudende, humusrijke zandgrond, vaak in heksenkringen
sporeekleur wit tot créme
hoed bolvormig, later gewelfd tot uitgespreid, 3-10 cm in doorsnede, wit tot beige, met ingerolde rand
steel 3-7 x 10-25 mm, wit
plaatjes lamellen dichtopeen, wittig