Plooivoetstuifzwam

Plooivoetstuifzwam (Calvatia excipuliformis)

De Plooivoetstuifzwam is te herkennen aan de duidelijk aanwezige, vaak geplooide steel.
Kenmerken van het geslacht Bovisten  (Calvatia) waartoe Plooivoetstuifzwam behoort.

Tot dit geslacht behoren de Zwartwordende bovist, de Loodgrijze bovist, de Plooivoetstuifzwam, de Ruitjesbovist, de Reuzenbovist en de Grote kop-op-schotel.

Het vruchtlichaam van deze zwammen is zak- of peervormig. Het bovenste gedeelte verandert bij rijpheid in een stuivende sporenmassa en verdwijnt. Het steriele gedeelte blijft als een soort leeg kopje achter. Sporen olijf- of lilabruin.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - plooivoetstuifzwam
familieVezelkoppen (Inocybaceae )
info familieAnders dan de naam doet vermoeden hebben vezelkoppen niet per definitie een vezelig hoedje. Er zijn tal van varianten, zijdeachtig, glad en kleverig, vezelig en slijmerig-kleverig, vezelig en droog, wollig-viltig, opstaand-schubbig. Vaak lopen de vezelbundels naar de hoedrand toe uiteen, zodat het onderliggende vlees zichtbaar wordt. Vezelkoppen met deze eigenschap noemen we Spleetvezelkoppen.
De kleur van de hoed is meestal een bruintint (roodbruin, geelbruin, grijsbruin, donkerbruin), maar er komen ook witte, paarse, gele, groene en rood verkleurende vezelkoppen voor.
De steel is al dan niet bepoederd. Aan de voet zit soms een knol met duidelijke rand. Voor determinatie is het dus belangrijk om de gehele steel uit te graven en daarbij de steel zelf niet aan te raken, daar dan de eventuele bepoedering verdwijnt. Onder de microscoop kun je het al dan niet bepoederd zijn controleren door te kijken of er caulocystiden over de gehele steel zitten. Zo ja, dan bepoederd. Zo niet of alleen in het bovenste gedeelte dan niet bepoederd.
De lamellen zijn meestal smal aangehecht. Een uitzondering vormt de I. dulcamara-groep, deze heeft breed aangehechte lamellen.
Het uiterlijk van de lamelsnede is, afhankelijk van de grootte en dichtheid van de cheilocystiden, lichter van kleur, vlokkig of gewimperd. Bij bv. de I.dulcamara-groep zijn de cystiden klein en weinig compact geplaatst, de lamelsnede is nauwelijks lichter van kleur dan de lamel. Bij het ondergeslacht Inosperma (bv. de Geelbruine spleetvezelkop) staan de cystiden zeer dicht opeen, de lamelsnede ziet er grof-witvlokkig uit. Het ondergeslacht Inocybe heeft dikwandige, kristaldragende cystiden die verder uiteen staan, de lamelsnede ziet er gewimperd uit.
Ook geur speelt een rol bij de Vezelkoppen. Veelal is die spermatisch (dan wel naar piperidine), maar het kan ook vissig, zoetig, naar pelargonium, paardenpis, wantsen of bittere amandelen zijn.

Microscoop:
de sporen kunnen glad, hoekig, knobbelig of stervormig zijn. De grenzen tussen glad en hoekig-knobbelig zijn niet altijd even duidelijk. De sporen zien er onder de microscoop meestal bruin uit, maar er komen ook blekere soorten voor. De sporen van bv. de Kleine duinvezelkop zijn opvallend donker.
De pleurocystiden zijn vaak dikwandig en kristaldragend. De kleur en de dikte van de wanden is ook een kenmerk. De cheilocystiden zijn vaak dunwandig, maar dikwandige komen ook voor. Vorm, lengte en dikte zijn belangrijk voor determinatie. Tussen de cheilocystiden staan vaak paracystiden, dunwandige cellen.
Bij de ondergeslachten Mallocybe en Inosperma komen alleen dunwandige cystiden langs de lamelsnede voor.
naam plooivoetstuifzwam (Calvatia excipuliformis)
waar in loof- en naaldbossen, wegbermen, op allerlei bodems, vrij algemeen
sporeekleur olijfbruin
hoed Het vruchtlichaam is 8-15 cm hoog, eerst witachtig-beige. Oppervlak bedekt met korte, samengestelde stekels, na afvallen blijft geen netpatroon achter.
steel duidelijke, vrij lange, overlangs geplooide steel
plaatjes verstuivende sporenmassa