Peksteel

Peksteel (Polyporus badius)

Peksteel heeft een fraaie hoed in warme herfsttinten, diep donker roodbruin met een lichtere rode of gele rand. Het oppervlak is glad en glanzend. De vorm is trechter- of waaiervormig, de rand vaak golvend.

De steel is excentrisch of centraal geplaatst, fluwelig en bruinzwart van kleur.

De okerkleurige buisjes zijn -0,5-2 mm lang en lopen af op de steel. De poriën zijn klein, 6-8 per mm en rond tot hoekig. Ze zijn wit of crème tot lichtbruin van kleur. De sporen zijn wit.

De Peksteel groeit op dode takken, stammen en stronken van loofbomen als populier, wilg, es en beuk en kan gevonden worden van het voorjaar tot in de herfst. De enigszins gelijkende Waaierbuisjeszwam (P. varius) heeft een lichter gekleurde (okergeel tot bleek- of oranjebruin), doffe, viltige hoed.

De eveneens dieprood gekleurde Biefstukzwam (Fistulina hepatica) heeft geen steel, scheidt rode druppeltjes af en groeit aan de voet of op stamwonden van levende eikenb en op eikenstobben, soms op tamme kastanje.

Ook indrukwekkend rood is de Gesteelde lakzwam (Ganoderma lucidum), al moet je vaak wel eerst even de bruine sporen wegpoetsen om de zwam in volle glorie te kunnen zien. De hoed van deze zwam heeft concentrische ringen en een indrukbare korst. De steel is excentrisch en evenals de hoed lakachtig glanzend. Ze groeit aan de voet of in holtes van stammen, op stobben en stronken van loofbomen als beuk, eik, populier of paardenkastanje.
Kenmerken van het geslacht Polyporus  (Polyporus) waartoe Peksteel behoort.

Eenjarig. Steel centraal of zijdelings, hoed droog, viltig tot geschubd met een dunne buisjeslaag. Sporen wit. Op hout

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - peksteel
familiePolyporaceae (Polyporaceae)
info familieEen omvangrijke groep van 1- of meerjarige houtzwammen, met allerhande vormen met een poreus of soms van lamellen voorzien kiemvlies.
naam peksteel (Polyporus badius)
waar op dood hout van loofbomen, bossen, parken, vochtige bodems, vrij algemeen
sporeekleur wit
hoed 5-15 cm breed, kastanjebruin, in het centrum vaak bijna bruinzwart, naar de rand toe lichter, glad en glanzend
steel grijszwart, centraal of zijdelings geplaatst, naar de basis versmald
plaatjes buisjes lang wit, aflopend langs de steel, zeer nauwe poriën