Holsteelboleet (Suillius cavipes)

Holsteelboleet


De Holsteelboleet is een opvallende boleet met een vezelige hoed en grove, hoekige, wat langgerekte poriën. De steel heeft soms een vage ring en is hol aan de binnenzijde. Aan de hoedrand zitten vaak nog velumrestjes.
Er zijn twee varianten, de ene (var. cavipes) heeft een roodbruine hoed, de ander (var. aureus) heeft een goudgele hoed. Bij het ouder worden spreidt de hoed zich vlak uit.
De Holsteelboleet groeit onder lariks. Sporen 7-10x3.5-4 mu, glad.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave met beschrijvende tekst

SPECIFICATIES - Holsteelboleet
familieBoleten (Boleteceae)
info familieDe familie van de Boleten is vrij gemakkelijk te herkennen. Het zijn vlezige paddenstoelen met meestal een centrale steel en een gewelfde hoed. Onder de hoed zitten geen plaatjes, maar er zit een buisjeslaag. Deze laag is gemakkelijk van de hoed los te trekken.
Belangrijk voor de determinatie is het feit dat ze bijna allemaal gebonden zijn aan een bepaalde boom of struik.
Er zijn diverse geslachten in deze familie. Om te bepalen tot welk geslacht de boleet behoort kun je allereerst naar het oppervlak van de hoed kijken. Is dit glad, schubbig, vezelig, vilt- of zeemleer-, dan wel fluweelachtig? Verder kijk je of het oppervlak droog is of juist kleverig of slijmerig.
Verder is ook de kleur van de hoed belangrijk.
De buisjeslaag kan breed aangehecht aan de steel zijn, of uitgebocht aangehecht zijn of bijna vrij zijn van de steel. Kenmerkend voor bijvoorbeeld het geslacht Suillus is de op de steel aflopende buisjeslaag.
Ook de opening van de buisjes, de pore, speelt een rol bij determinatie. Die opening kan klein en rond zijn, groot en rond, klein en hoekig of grof en onregelmatig hoekig.
En dan is er de steel. Behalve de vorm (cilindrisch, opgezwollen buikig, bochtig of wortelend) is het oppervlak belangrijk. Er zijn drie typen. Het oppervlak heeft een netwerk (als een netkousje over de steel). Dit netwerk heeft ook weer een onderscheidende kleur. Een tweede mogelijkheid is dat het oppervlak bedekt is met fijne tot grove schubjes. Deze schubjes hebben vaak een contrasterende kleur. Als derde mogelijkheid kunnen er fijne donkere vlekjes op het steeloppervlak zitten.
Het vlees van boleten verkleurt vaak bij beschadiging. Het al dan niet verkleuren en de kleur van de verkleuring is vaak kenmerkend voor een bepaalde soort.
Geur en smaak zijn minder bepalend, behalve bij de Peperboleet en de Bittere boleet.
Een sporee maken kan ook bijdragen, er is een heel scala aan kleuren mogelijk.

Al met al een heel gedoe dus!
geslacht Boleet (Suillius)
info geslacht Tot het geslacht Suillus behoren de Melkboleet, Ringboleet, Koeienboleet en Holsteelboleet.
Leden van dit geslacht leven vaak samen met leden van de Spijkerzwamfamilie of met vezeltruffels. Zo vind je in de duinen met wat geluk naast de Melkboleet de Koperrode spijkerzwam. In dennenbossen op zandgronden kun je de Koeienboleet vinden in gezelschap van de Roze spijkerzwam.
Het geslacht Suillus komt bijna altijd voor in gezelschap van naaldbomen. In Nederland komen ongeveer 12 soorten voor, meestal bij Grove den.
Veel soorten hebben klierpuntjes, vlekjes, op de steel. Onder de microscoop zie je dan cystiden met een donker geïncrustreerde wand en soms ook bruine pigmentklodders in de celinhoud.
De buisjeslag bestaat of uit grove, min of meer hoekige tot langwerpige porïn, met vaak een grof gekartelde rand of uit regelmatige, kleine poriën.

Hoed droog
Steel hol, hoed donkerbruin, bij Lariks -> Holsteelboleet
Hoed rozebruin, glad, iets kleverig bij vocht, porië vrij grof en gelig -> Koeienboleet
Hoed kleverig
Met ring, bij den of lariks
hoed bruin, melkend -> Melkboleet
Porië klein
hoed donkerbruin, zonder geeltinten, steel met klierpuntjes, bij 2-naaldige den -> Bruine ringboleet
hoed geelbruin tot roodbruin, steel zonder klierpuntjes, vlees vooral in de voet van de steel blauw verkleurend, bij lariks -> Gele ringboleet
naam Holsteelboleet (Suillius cavipes)
waar droog, arm naaldbos, onder lariks
sporeekleur olijfbruin tot bruin
hoed 3-10 cm, gewelfd, bij het ouder worden gespreid, warm roodbruin of geelbruin, bedekt met wittige vezeltjes en haren, vaak met velum aan de hoedrand
steel 4-9 cm lang, 5-1,5 cm dik, soms met bolvormige voet, geel en glad naar de top toe, bruin en harig naar de voet toe, soms met vage ring. Hol van binnen
plaatjes buisjes groengeel of geel, niet verkleurend, poriën hoekig en radiaal gerangschikt, 1mm doorsnede, 5 mm diep